Historie

Delbrock is in 1860 in opdracht van de bekende aardewerkfabrikant Petrus Regout gebouwd als grand hotel (Petite Suisse), in 1880 is het ingrijpend verbouwd tot woonhuis naar het ontwerp van de Akense architect Wilhelm Wickop. Vanaf 1940 wordt het pand gebruikt als kraamkliniek en tot 2013 fungeerde het pand als behandelcentrum van de GGD. Het grand hotel uit 1860 is deels te herkennen in de structuur van het woonhuis, het woonhuis uit 1880 is goed bewaard gebleven (zowel exterieur als interieur).

Omstreeks 1860 wist de Maastrichtse fabrikant Petrus (I) Regout deze aaneengesloten reeks percelen te verwerven. In 1860 liet hij hier een hotel-restaurant bouwen, dat hij de naam La Petite Suisse gaf. In 1862 breidde hij zijn bezit uit met het nabije landgoed De Kanjel, dat hij La Grande Suisse doopte en vanaf 1864 verbouwde en uitbreidde. Blijkbaar lukte het niet om ook het tussenliggende perceel te verwerven, waardoor de landgoederen La Grande en La Petite Suisse altijd gescheiden zijn gebleven.

Het ontwerp van La Petite Suisse was waarschijnlijk van de ‘huisarchitect’ van de Regouts, de Akenaar Wilhelm Wickop. Het werd een opvallend gebouw, met een achtkantige toren en giet- of smeedijzeren balkons die zich over de breedte van de gevels uitstrekten. De tuin van dit maison de plaisance, ontworpen door Jean Gindra, was met zijn waterlopen, eilandjes en bruggen, vijvers met zwanengondels, theekoepels en ijskelder, en talrijke beelden en fonteinen, mogelijk nog uitbundiger dan die van Regouts eigen woonhuis, kasteel Vaeshartelt. La Petite Suisse en de bijbehorende tuinen zijn meerdere malen afgebeeld in het Album dedié a mes amis et mes enfants, dat Regout omstreeks 1863 in Parijs liet vervaardigen. Bij een van de prenten staat vermeld dat het hotel twaalf appartementen (habitations) bevatte, bedoeld voor verhuur, gemeubileerd of ongemeubileerd.

In 1878, het jaar van overlijden van Petrus Regout en zijn echtgenote Aldegonda Regout-Hoeberechts, werd La Petite Suisse bewoond door hun oudste dochter, de weduwe Maria (‘Mimi’) Weustenraad-Regout, samen met twee van haar ongehuwde kinderen, Alice en Fernand. In 1880 liet zij het pand ingrijpend verbouwen, vermoedelijk opnieuw naar ontwerp van Wilhelm Wickop, en noemde het Delbrock. Het nieuwe gebouw, in sobere neoclassicistische vormen, leek in niets op de speelse, eclectische voorganger. Ook het park werd door Mimi aanzienlijk vereenvoudigd (zoals haar jongste broer Gustave deed met het park van Vaeshartelt). Mimi woonde tot aan haar dood (1898) in Delbrock. Bij de verdeling van de erfenis ging het landgoed naar haar oudste dochter Maria, die er met haar man Edgard de Heusch de Bombrouck en kinderen ging wonen.

Tussen december 1908 en december 1910 verhuisde de familie De Heusch de Bombrouck-Weustenraad naar een pand aan de Scharnerweg, destijds gelegen in de buurtschap Scharn in de gemeente Heer.Tussen 1912 en 1922 werd Delbrock bewoond door de jurist Alfred Pijls, een schoonzoon van Mimi Weustenraad-Regout, en diens tweede echtgenote, barones Testa. Wellicht verhuurde Pijls het landgoed na 1922.

In maart 1941 werd Delbrock geveild. De nieuwe eigenaar was de Duitse Nationalsozialistische Volkswohlfahrt (NSV), een in 1932 in Berlijn opgerichte welzijnsorganisatie, vanaf 1933 een partijorganisatie van de NSDAP. Tot de vele taken van de NSV behoorde het “Mutter und Kind”-werk, dat Arische vrouwen gedurende de zwangerschap en na de geboorte van het kind begeleiding bood. Op 1 mei 1941 hees de pas aangestelde hoofdzuster Emmi de hakenkruisvlag op de toren van Delbrock. Het gebouw werd ingericht als Mütterheim, ook Müttererholungsheim genoemd, een kraamkliniek voorbehouden aan vrouwen van Duitse militairen en (Nederlandse) NSB-leden, onder beheer van de NSV.

In april 1946 nam de gemeente Maastricht het pand voor 46.000 gulden over uit genaast vijandelijk vermogen, met de bedoeling om er een kraamkliniek voor armlastige moeders in te richten. Plannen voor een dergelijke inrichting bestonden reeds voor de oorlog. De villa werd in 1946-1947 voor ƒ 52.000 verbouwd en heringericht met o.a. twintig bedden, verdeeld over een zaal- en klasse-afdeling. Van 1947 tot 1950 beheerde het Burgerlijk Armbestuur de kraaminrichting “De Kanjel”. Van 20 april 1947 tot 19 september 1950 werden in De Kanjel 1.452 baby’s geboren, met een piek van bijna 500 in 1948. Er waren gemiddeld vijftien personeelsleden in dienst. Door de oplevering van het Ziekenhuis Sint Annadal werd de kraamzorg in De Kanjel overbodig.

In 1951 werd het gebouw verkocht aan de Dr. Poelsstichting, genoemd naar de priester-aalmoezenier Henri Poels (1868-1948). Vanaf dat jaar was er een rusthuis voor jonge moeders gevestigd, het R.K. Herstellingsoord “Dr. Poelsoord”. Vanaf midden jaren 1970 werd het een gemengd herstellingsoord. In deze periode verschoof het accent geleidelijk van een op lichamelijk herstel gerichte behandeling naar psychosociale hulpverlening. Halverwege de jaren 1980 verbleven er jaarlijks zo’n vierduizend mensen met psychosociale problemen. In 1987 dreigde sluiting in verband met bezuinigingen. Vanwege die dreigende sluiting fuseerde de instelling in 1990 met de Venlose Mutsaersstichting, waarbij de naam gehandhaafd bleef. De gemeente Maastricht bleef tot 1994 eigenaar van Delbrock. In dat jaar werd het landgoed gerestaureerd en verkocht aan de Mutsaersstichting, die het in 1996 doorverkocht aan het psycho-medisch streekcentrum Vijverdal, het latere Mondriaan GGZ. Per 1 januari 2012 kwam een einde aan de klinische behandeling van patiënten in het Dr. Poelsoord. Vanaf dat moment werd nog slechts ambulante zorg verleend.

Bron: Wikipedia

Back to top

© Vaeshartelt – DisclaimerPrivacyAanvullende informatie